Workshops
Workshop Ronde 1
A – ‘Integrated systems’: Transformatieve lokale governance
Verbindende lokale netwerken: versterking van de voor- en vroegschoolse educatie (Lies van der Kuilen, Onderwijsinspectie)
Goede voor- en vroegschoolse educatie lukt het best als gemeenten, scholen, kinderopvangorganisaties en ouders goed samenwerken. Uit onderzoek blijkt dat wanneer in gemeenten duidelijke afspraken zijn gemaakt, intensief wordt samengewerkt en sterke regie wordt gevoerd vanuit een gedeelde missie, de kwaliteit van het aanbod in kinderopvang en onderwijs, de ouderbetrokkenheid en continuïteit tussen opvang en onderwijs beter zijn.
Lokale samenwerking van kinderopvang en onderwijs: effecten van organisatiecultuur en organisatiemanagement (Willeke van der Werf, Nuffic/UU)
Vanuit een organisatiesociologisch perspectief is een meervoudige casestudie gedaan naar samenwerking tussen kinderopvang en onderwijs. De resultaten laten drie modellen van samenwerking zien. Aan de hand van deze modellen wordt verduidelijkt welke culturele en structurele randvoorwaarden gerealiseerd moeten zijn om tot effectieve samenwerking en pedagogische innovatie te komen.
Het Utrechts Kwaliteitskader voor het Jonge Kind (UKK): van actualisatie naar implementatie (Martine Broekhuizen, UU O&T, Bodine Romijn, UU, & Wiesje van Delft, Gemeente Utrecht)
In 2023 is het Utrechts Kwaliteitskader voor het Jonge Kind (UKK) geactualiseerd, als gezamenlijk waardenkader voor kinderopvang (voorschoolse educatie) en onderwijs. In deze presentatie gaan we in op een aantal activiteiten die sinds deze actualisatie zijn uitgevoerd, waaronder de kwaliteitsmeting VVE in 2024-2025 en de ontwikkeling van stadsbrede interventies en doelen.
B – Belang van mondelinge taalontwikkeling en meertaligheid
Engels-Nederlands taalaanbod op de kinderopvang en de taalontwikkeling van peuters (Josje Verhagen, UvA)
In deze presentatie deelt Josje resultaten uit het MIND-onderzoek naar de effecten van tweetalige kinderopvang. In het MIND-onderzoek volgden we de taalontwikkeling van ruim 500 kinderen van 2 en 3 jaar die een volledig Nederlandse of Engels-Nederlandse opvang bezochten. Onze resultaten lieten zien dat meer Engels op de opvang samenhing met een snellere ontwikkeling van receptieve woordenschat in het Engels. Meer Engels op de opvang hing niet samen met een tragere ontwikkeling van woordenschat in het Nederlands. Aanbod in een veemde taal op het kinderdagverblijf lijkt dus positief te werken voor de woordenschatontwikkeling in die taal en niet ten koste te gaan van de woordenschatontwikkeling in de andere taal.
NELI (Walter de Wit & Arjen Scholten, Vinci)
Met het tutorprogramma NELI worden in GB opmerkelijke resultaten geboekt. De mondelinge taalvaardigheid van taalzwakke kleuters stijgt en die kunnen daardoor beter deelnemen aan het onderwijs in de klas. Vinci vertaalde NELI met ondersteuning van de UU naar het Nederlands. Inmiddels werken tientallen Nederlandse scholen met het programma. Walter de Wit en Arjen Scholten vertellen erover tijdens hun presentatie. Zij gaan ook in op de eerste bevindingen van het effectonderzoek door de VU.
Het effect van meer uren voorschoolse eductie op mondelinge taalniveau van peuters: Inzichten vanuit het EVENING onderzoek (Ora Oudgenoeg-Paz, UU)
Sinds 1 augustus 2020 zijn gemeenten verplicht om kinderen met een VVE-indicatie 960 uur voorschoolse educatie te bieden tussen de leeftijd van 2,5 en 4 jaar. In het EVENING onderzoek zijn de effecten van deze extra uren op, onder andere, de ontwikkeling van kinderen onderzocht. De presentatie zal focussen op de effecten van extra uren VE op taalontwikkeling van doelgroep kinderen.
C – Continue professionalisering als sleutel tot succes
De wetenschap achter pedagogische coaching: effectiviteit en kwaliteit in de kinderopvang (Jochen Devlieghere, UGent)
Pedagogische coaching wordt vaak gezien als een sleutel tot kwaliteitsverbetering, maar wanneer en waarom werkt het? In deze lezing analyseren we wetenschappelijke literatuur over pedagogische coaching en de relatie met pedagogische kwaliteit. We staan stil bij theoretische kaders, onderzoeksresultaten en verklarende mechanismen die inzicht geven in de effectiviteit van coaching in de kinderopvang.
Effecten van de pedagogisch beleidsmedewerker/coach (Thomas van Huizen, UU)
Sinds 2022 bestaat er een landelijke norm voor de inzet van de pedagogisch beleidsmedewerker/coach in de voorschoolse educatie. In het EVENING project zijn de effecten van deze hervorming onderzocht: wat zijn de effecten van de pedagogisch beleidsmedewerker/coach op de pedagogische kwaliteit? En hebben peuters baat gehad bij een ruimere inzet?
Coaching in de voorschoolse educatie: is er een richtinggevend kader nodig? (IJsbrand Jepma, Sardes)
De rol van de pedagogisch beleidsmedewerker/coach in de voorschoolse educatie staat volop in ontwikkeling. IJsbrand Jepma neemt je mee in de uitkomsten van een verdiepend EVENING-onderzoek naar coaching in de voorschoolse educatie. Op basis van enquêtes onder 32 coaches en focusgesprekken met ervaren professionals laten zij zien waar coaches tegenaan lopen, wat werkt in de praktijk en waar het schuurt.
D – Kwaliteit in de kinderopvang: een omgeving die uitdaagt, verbindt en ontwikkelt
Verder dan interactie: Een brede kijk op kwaliteit in de kinderopvang (Merel Breedeveld & Pauline Slot, UU)
De interacties die kinderen hebben, spelen een grote rol in de kwaliteit van de kinderopvang. Er zijn echter nog meer aspecten van kwaliteit die onderzocht kunnen worden. In deze presentatie duiken we vanuit data van de Landelijke Kwaliteitsmonitor Kinderopvang in verschillende kwaliteitsindicatoren en hoe deze samenhangen met elkaar en met de ervaringen van kinderen.
Object exploratie tijdens vrij spel: de invloed van de ruimtelijke en de sociale omgeving (Ine van Liempd, UU)
Onderzoek bij jonge kinderen (1-4 jaar) in het kinderdagverblijf laat zien dat complexe exploratie van spelmaterialen vooral plaatsvindt als kinderen alleen of in de buurt van elkaar (parallel) spelen. Als kinderen met elkaar speelden, was dat meestal zonder gebruik van spelmaterialen. Veder vond complexe exploratie vooral plaats aan de (lage) tafel. Wat leren we van deze uitkomsten en welk nader onderzoek is gewenst?
De kracht van een rijke BSO-omgeving (Lisanne Jilink, UU/Partou)
Wat is de unieke rol van de buitenschoolse opvang in de brede ontwikkeling van kinderen? In deze bijdrage verkennen we hoe een rijke BSO-omgeving kan bijdragen aan sociaal-emotioneel leren, interesseontwikkeling en gelijke ontwikkelkansen voor kinderen.
Workshop Ronde 2
A – ‘Integrated systems’: Curriculum en pedagogiek
Biedt een geïntegreerd systeem een basis voor kwaliteit? (Ruben Fukkink, UvA/HvA)
In deze presentatie geef ik een actueel overzicht op basis van een inventarisatie van diverse kwaliteitsindicatoren voor de landen van de Europese Unie. Wat laat een vergelijking zien van de 27 EU-landen met of zonder geïntegreerd stelsel bij de toegankelijkheid van een kinderopvangstelsel, werkcondities voor medewerkers & personeel, een doorgaande lijn van kinderopvang naar onderwijs, (zelf)evaluatie en inspectie van kwaliteit, en financiering? Zijn structurele kwaliteitskenmerken, bezien vanuit het European Quality Framework, gunstiger voor geïntegreerde stelsels ten opzichte van gespleten (‘split’) stelsels? En hoe staat de Nederlandse kinderopvang dan op de Europese kaart?
Een genealogie van kinderopvang en kleuterschool (Jochen Devlieghere, UGent)
Deze lezing verkent de historische wortels van kinderopvang en kleuterscholen en schetst hoe beide zich in uiteenlopende richtingen hebben ontwikkeld. Aan de hand van een genealogische benadering wordt zichtbaar welke maatschappelijke, pedagogische en politieke krachten de huidige scheiding hebben vormgegeven. Zo ontstaat een perspectief op de vraag waarom deze split vandaag nog steeds doorwerkt in beleid en praktijk.
Het kind als burger binnen geïntegreerde voorzieningen voor kinderopvang en VE (Christel Eijkholt, The Oaktree)
Deze bijdrage belicht hoe de erkenning van participatie en handelingsvermogen (agency) van jonge kinderen kan leiden tot andere pedagogische keuzes rond bijvoorbeeld ruimte, tijd en relaties in kinderopvang en voorschoolse educatie. Empirische inzichten uit een Europese kinderstem-studie onderstrepen het belang van luisteren naar kinderen voor kwaliteit, inclusie, democratische praktijken en welbevinden van kinderen (en professionals).
B – Een brug slaan tussen verschillen: diversiteit en inclusie
De intercultureel competente (pedagogisch) professional (Bodine Romijn, UU)
De roep om inclusievere voorzieningen voor het jonge kind wordt steeds groter, maar stelt de sector ook voor uitdagingen. In deze presentatie staan we stil bij wat er nodig is om inclusief te zijn op het gebied van de culturele verschillen tussen kinderen en hun families. Wat vraagt dit van organisaties en professionals? Er wordt onder andere stilgestaan bij recente inzichten op dit vlak uit de Landelijke Kwaliteitsmonitor Kinderopvang en de kwaliteitsmeting ten aanzien van het het Utrechts Kwaliteitskader voor het jonge kind.
Binden en verbinden met religieuze kinderopvang (Erna Reiling, UU)
In een kwalitatieve historische casestudie is in beeld gebracht hoe bijna twintig jaar geleden in Ede en omstreken vorm is gegeven aan reformatorische en islamitische kinderopvang en gezocht is naar verbinding tussen religieuze socialisatie en een gedeeld kader van maatschappelijke waarden. Centraal staat het begrip ‘derde ruimte’ – de pedagogische en religieuze ruimte die gecreëerd werd door vanuit wederzijds vertrouwen en respect praktisch-pedagogische oplossingen te zoeken ook als het soms schuurt.
Talige diversiteit thuis, in de opvang en in de samenleving (Ryanne Francot, CBS)
De verscheidenheid aan talen en culturen in Nederland neemt alleen maar toe. Dit zorgt voor uitdagingen voor de onderwijssystemen en de samenleving als geheel: Hoe kunnen we omgaan met deze meertaligheid? In deze presentatie gaat Ryanne in op de talige diversiteit thuis (welke taalkeuzes maken ouders, en waarom?), in de opvang en in de samenleving.
C – Bevorderen van vroege zelfregulatie en executieve functies
EF-ontwikkeling bij kleuters: de rol van EF, SES en leerkracht-leerlingrelaties in een interactief klasprogramma (Fren Dieusaert, KU Leuven)
‘Zet je EF-bril op’ is een Vlaams interactie-gebaseerd klasprogramma dat is ontworpen om de executieve functies (EF) van kleuters te verbeteren door leerkrachten te trainen in hoe ze de EF van kleuters kunnen ondersteunen. Deze presentatie bespreekt de effecten van het programma en laat zien hoe socio-economische status en de kwaliteit van de leerkracht-leerlingrelatie de resultaten beïnvloeden.
Executieve functies als verklaring voor sociale ongelijkheid in de schoolloopbaan van 3-15 jarige leeftijd (Ineke van der Veen & Annemiek Veen, Kohnstamm Instituut)
Alle kinderen zouden hun volledige potentieel moeten kunnen benutten, maar dit blijkt minder vaak te lukken bij kinderen uit minder gunstige sociaaleconomische milieus. Uit analyses van het pre-COOL cohortonderzoek, met 2686 kinderen, aangevuld met schoolloopbaangegevens uit het voortgezet-onderwijs, blijkt dat executieve functies (EF) -ook die gemeten op 3-jarige leeftijd- ongeveer vijf procent van de sociale ongelijkheid in de onderwijsloopbaan verklaren.
De Ontwikkeling van Zelfregulatie bij Peuters: Effecten van het Voorschoolse Activiteitenaanbod (Vaso Tiliopoulou, UU)
In deze presentatie richten we ons op de ontwikkeling van zelfregulatie bij kinderen van 2,5 tot 4 jaar die deelnemen aan voorschoolse locaties met VVE-aanbod, op basis van longitudinale gegevens uit het EVENING-onderzoeksproject. We presenteren ons zelfgebouwde zelfregulatie-construct, gemeten via een multimethode-aanpak (observatietaken en leerkrachtoordelen). Daarnaast bekijken we in welke mate het voorschoolse activiteitenaanbod bijdraagt aan groei in zelfregulatie, waaronder type activiteit, frequentie, vrij spel versus gerichte activiteiten, en activiteiten in kleine of grote groepen.
D – Exploratie bij baby’s en peuters als motor van de ontwikkeling en fundament voor materiaalgericht spel
Elizabeth Wynberg (Stiching Tabijn/Hogeschool iPabo), Mariska Venema (UU/Hogeschool Windesheim) & Isa Linders (UU)
In deze sessie zullen we inzoomen op de ontwikkeling die plaatsvinden bij kinderen op de kinderopvang in de eerste vier jaar van hun leven, vanaf de geboorte tot aan vier jaar. In deze periode staat het ontdekken van de fysieke omgeving centraal. Jonge kinderen leren door te bewegen, te ontdekken en te experimenteren. Als baby’s naar een bal kruipen, blokken stapelen, of met een rammelaar spelen, verkennen ze de wereld. Daarbij ontwikkelen ze motorische vaardigheden en vormen ze de bouwstenen van cognitie. In deze workshop bespreken we theoretische principes en gaan we oefenen en ervaren wat dit betekent voor de praktijk. Hoe stimuleren objecten exploratie op verschillende manieren? Hoe observeer je exploratie, om het vervolgens effectief te kunnen begeleiden?